Wachtend op een echoscopie zit ik ineengedoken in een hokje in een voddige tent met lintjes die ik moet gebruiken om dit gewaad dicht te doen. Aan beide kanten van een lange gang zijn een stuk of 30 hokjes. Een dikke, nogal strenge vrouw in licht groen polyester staat op wacht bij de deur, en commandeert de mensen heen en weer. Ineens wil ik er uit. Wat zou er gebeuren als ik er nu vandoor ga?

Plotseling schiet me een herinnering van lang geleden te binnen: de eerste keer dat ik, als klein meisje, naakt, koud en huiverend, in zo’n zelfde hokje zat te wachten. Het was in 1953 in Nederland. Ik was 9 jaar oud. Mijn moeder en mijn jongere zusje zaten, ieder apart, in de hokjes naast me. We spraken niet met elkaar. Waren zij net zo bang als ik?

We waren die dag naar Rotterdam gereisd om door artsen te worden onderzocht, wat nodig was om naar Amerika te emigreren. Ik hoorde iemand op de gang. De deur van mijn hokje ging open. De nauwe ruimte was plotseling gevuld met een grote mevrouw, een verpleegster, die me grondig onderzocht. Ze nam mijn handen in de hare en keerde ze zorgvuldig om. Telde ze mijn vingers? Zou het zijn dat een mismaaktheid iemand ongeschikt kon maken om te emigreren?

Ik geloof dat ik de verpleegster, die nu naar mijn moeder toe ging, volgde. Ik herinner me mijn elegante moeder, lang en kwetsbaar, hoe zij ook naakt voor de verpleegster stond. Ik had nooit eerder mijn moeder zonder kleren aan gezien. Het beeld dat ik had van mijn moeder, haar soliditeit, haar stabiliteit, haar statigheid, leek te zijn weggegleden met haar kleren. Nu was ze net als ik hulpeloos, bloot, onbeschermd.

Eindelijk mochten we ons aankleden. Ik wilde alleen maar de troost van mijn moeders armen opzoeken. Maar ik werd naar het kantoor van de Amerikaanse dokter gemarcheerd. Ik herinner me hoe hij mij vragen stelde in een onbegrijpelijke taal. De verpleegster moest vertalen. Wat is de hoofdstad van de Verenigde Staten? De enige stad waarvan ik de naam wist was New York, dus zei ik dat maar. Het ging niet veel beter met de drie grote Hollandse rivieren. Ik kon slechts de Rijn bedenken.

Was het een les in aardrijkskunde of wilde hij gewoon weten of ik werkelijk mijn hersens kon gebruiken? Niet lang daarvoor was mijn vader, een arts, door een Hollandse boer aangeklampt. Zijn dochter was zo bang en verlegen geweest gedurende de vragen dat ze helemaal niks kon uiten. De boer vreesde dat de dokter zijn dochter niet geschikt zou vinden en dat de emigratie van zijn familie in duigen zou vallen. Hij hoopte dat mijn vader een goed woordje bij de Amerikaanse dokter zou doen voor hem.

Intussen werden wij naar een ander kantoor gestuurd. Hier werden de injecties gegeven en bloed afgenomen. Eindelijk waren we dan klaar.

We waren klaar, we waren er doorheen. Maar wat betekende dat toch? Ik had zelf geen idée dat met deze gebeurtenissen het ontwortelen van mijn jonge leven zou beginnen. Een ontworteling die ik mijn hele leven bij me zou dragen.

Deze enorme ontworteling was al ruim een jaar eerder begonnen toen ik in mijn naïviteit op school had losgelaten dat onze familie naar Amerika ging emigreren. Mijn leraar van de 3e klas maakte een zeer onaangename opmerking, waar ik helemaal van slag van was. Waar had ik dat nou aan verdiend? Ik was veel te jong om de redenen van mijn ouders te begrijpen. Ik geloof wel dat zij die vaak hebben besproken en zich misschien ook hebben moeten verdedigen in gezelschap. Vonden anderen dat wij ons land verrieden, zo kort na de Tweede Wereldoorlog? Nederland was nog in een staat van opbouw en versterking na de vernietigende vijfjarige bezetting door de Nazi’s. Toen, net als nu, hadden Amerikanen niet zo’n goede naam in Europa.

Waarschijnlijk hadden wij nooit veel stabiliteit gehad in onze familie. Ik was midden in de oorlog geboren, een tijd waar niemand de uitkomst ervan kon weten. Mijn vader had zijn eigen familie in gevaar gebracht met zijn werk voor het Medische Contact (zie zijn boek, Only a Free Man, door Jan Peter Voûte.) Na de bevrijding in 1945 ging mijn vader als arts met het Nederlandse Rode Kruis naar Indonesië. Toen hij 18 maanden later terugkeerde was hij niet meer dezelfde man. Hij was onrustig geworden, op zoek naar iets dat hem bleef ontglippen. Het huwelijk van mijn ouders liep hierdoor gevaar. Op een bepaald moment namen ze de beslissing om opnieuw te beginnen in het land van gouden mogelijkheden aan de andere kant van de wereld.

Wij waren geen vluchtelingen noch hadden we tekort aan geldmiddelen. Mijn vader stamde af van een gevestigd welgestelde familie, die in de 18e eeuw vanuit Frankrijk naar Nederland was gekomen. Mijn ouders waren gewend aan een goed, vooroorlogs leven. We hadden een inwonend dienstmeisje en een meisje voor overdag; mijn ouders hadden veel vrienden waarmee ze regelmatig contact hadden, zij gingen naar het Concertgebouw in Amsterdam, mijn vader speelde viool in zijn eigen strijkkwartet, ze reden paard, speelden tennis en brachten hun vakanties in Frankrijk door.

Wij emigreerden niet naar de Oostkust van Amerika waar de manier van leven niet zo enorm verschillend van Nederland is. Wij emigreerden naar een gehucht in de woestijn met de naam Eunice, in het verre zuiden van New Mexico, land van cowboys, oliebronnen, en steaks, zo groot dat ze van je bord af dropen.

Waarom New Mexico? Goede vraag. Mijn vader had een vriend die chirurg was. Deze man, een vriend uit zijn studententijd, waar mijn vader gedurende de oorlog en in Indonesië mee had gewerkt, was enkele jaren eerder naar New Mexico gegaan, waar hij een klein ziekenhuis had opgericht. Mijn vader, klaar voor nieuw avontuur, ging weer samen met zijn oude vriend werken. Zijn praktijk veranderde enorm. In plaats van moeders met kindertjes die verkouden waren of mazelen hadden, behandelde hij mannen die de meest vreselijke ongelukken hadden gehad tijdens hun werk op de olievelden en boorplatformen.

Wij huurden een klein rose huisje aan de rand van de woestijn. Vanuit het keukenraam kon je alleen maar de eindeloos vlakke, droge aarde zien en dichterbij het huis een grote verroeste ton waarin wekelijks de vuilnis van het huishouden werd verbrand. Als mijn ouders een wandeling wilden maken zei men lachend: doe je laarzen maar aan, er zijn overal ratelslangen.

Hulp in het huishouden bestond niet. Mijn moeder die niet veel zelf had gekookt thuis in Holland, werd verliefd op kant en klare diepvries maaltijden. Ik herinner me dat we vaak Swansons’s chicken pot pies aten, een soort pastei gevuld met wat kip, erwtjes, worteltjes, en aardappel. Je stopte ze in de oven en voilá, daar had je je avondeten. Met ijs en CocaCola als onderdeel van het dagelijkse dieet werden mijn zusje en ik behoorlijk dikker. En wandelen en fietsen deed niemand. Er waren niet eens trottoirs.

Had mijn vader ooit gedacht aan de toekomst en de consequenties en vooral wat voor een impact deze enorme verhuizing op zijn familie zou hebben? Mijn ouders waren bijna 50 toen zij emigreerden. Zij lieten vrienden en familie achter en wat bijna net zo belangrijk zou zijn, een milieu dat ons allen had gekoesterd. Toen mijn vader oud was en mijn moeder overleden, noemde hij zijn beslissing ‘crazy.’

Antoinette Voûte Roeder is schrij ver en dichter in Edmonton, Alberta. Haar boekjes gedichten staan op Amazon.