Wij wonen inmiddels ruim twee jaar in Ontario en iets dat in British Columbia opviel, is hier nog veel sterker te merken: hoe veel mensen van onze generatie een band met Nederland hebben. Wij zijn natuurlijk late, late immigranten. Dat weet iedereen die De Krant al een tijdje leest, zeker iedereen die De Krant in 2001 al las toen de toenmalige uitgever Gerard Bonekamp het aandurfde mij, kersvers in Canada gearriveerd (in 1999), te laten schrijven. Wij mochten ons, zo vonden veel lezers, eigenlijk geen immigranten noemen. We hadden het te gemakkelijk. En onze observaties over de Canadese toploader wasmachine, de ijshockeygekte, de tafelmanieren en de gewoonte om de schoenen bij de voordeur uit te doen als je op visite bent, vielen niet altijd in goede aarde. Gerard schreef toen hij mij introduceerde iets in de trant van: ‘nieuwkomers, die de leeftijd van onze kinderen hebben’.

En daar heb ik het dus over. De kinderen van de grote groep immigranten uit de naoorlogse periode zijn van onze generatie. En dat klopt natuurlijk ook als je nagaat dat mijn ouders ook emigranten uit Nederland waren. Ze vertrokken in 1954 met de boot, zoals zovelen onder u, en gingen samen met een grote groep andere Nederlanders naar Zuid-Afrika. Maar dat had net zo goed Australië, Nieuw-Zeeland, Canada of de Verenigde Staten kunnen zijn. En ik denk dat als die keus voor Zuid-Afrika die zoals u zelf ook wel weet vaak niet eens erg bewust genomen werd nou eens een keus voor een van die andere ‘emigratielanden’ was geweest, ik hier niet in 1999 was gearriveerd. Dan was ik waarschijnlijk hier geboren en zou ik behoren tot die 1 miljoen Canadezen van Nederlandse afkomst.

Mijn ouders gingen na tien jaar in Zuid-Afrika, waar ik inmiddels geboren was, terug naar Nederland om hun kinderen te behoeden voor de alom verwachte politieke en sociale chaos in een post-revolutionair Zuid-Afrika. Die beslissing kostte zoveel moeite, mijn ouders waren zo gelukkig buiten Nederland, dat ik vrijwel zeker weet dat in Canada of de VS of Australië er nooit zelfs maar over terugkeer gesproken zou zijn. En dan zou ik zelf behoren tot de groep waar ik het nu over heb.

De ‘Tweede Generatie’, nu zo’n beetje tussen de midden-veertig en midden-zestig jaar oud is overal. Maar is, als gevolg van de fantastische integratie van de Nederlandse immigranten, grotendeels onzichtbaar. Er is veel met andere groepen getrouwd, dus zeker bij vrouwen is een achternaam niet altijd een betrouwbaar gegeven over de afkomst. En zelfs bij mannen is het niet altijd meteen helder: misschien hebben ze een Nederlandse moeder die met een Canadees getrouwd is, of een achternaam die ook Engels of Duits zou kunnen zijn. Sommige achternamen zijn direct herkenbaar als Nederlands (Bijna alles met ‘van’, of met een ij of ui), maar er zijn ook namen (Peters, Bosch, Schenk etc.) die niet meteen eenduidig zijn. Dus vaak wordt de conversatie geïnitieerd door de ander… de collega, de ouders van vrienden van onze kinderen, de zakenrelatie, de tradesman. Zij horen het aan ons accent, of zien het aan onze achternaam (of aan het oranje vaantje aan de achteruitkijkspiegel als er een internationaal voetbaltoernooi bezig is).

En weet u wat zo verbazingwekkend is (of eigenlijk misschien niet als je er bij nadenkt). Er is meer band dan je zou denken. Een collega van me (met een volledig Engelse naam), vroeg me onlangs bij de lunch of ik zin had in soep. Ze had teveel gemaakt. Groentensoep met balletjes. “Good?” vroeg ze me. “Lekker,” zei ik. “Oh yes, lekker, of course.” Recept van haar moeder. Een andere collega eet iedere ochtend een beschuitje met kaas. Deze dames zijn verder in alles Canadees. Ze zijn met Canadese mannen getrouwd, hebben Canadese kinderen die Hockey, Lacrosse en Ringette spelen, lezen Canadese kranten en doen hun schoenen uit als ze op visite komen. Maar ze gaan wél eens in de paar weken naar de Dutch Store voor sprinkles, rusk, deli-meats en ‘stroep’. Er is toch iets blijven hangen en het blijft toch ook wel weer verbazen hoeveel van hen Nederlands verstaan en zelfs een beetje spreken, soms zelfs vrij goed.

Toch staat de verregaande integratie van de Nederlandse immigranten in een sterk contrast met die van andere (ook Europese) groepen. Italianen, Portugezen, diverse Oost-Europeaanse nationaliteiten klitten veel meer samen dan Nederlanders ooit gedaan hebben. Daar is de band met het land en zelfs de streek van herkomst enkele generaties lang merkbaar. Het zal iets te maken hebben met de aard van het volk. Nederlanders wilden zich aanpassen. Maar het heeft ook te maken met de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de Canadese maatschappij. Waar in de eerste naoorlogse jaren toen de meeste Nederlanders kwamen, integratie vooropstond, en Canada om een Amerikaanse term te lenen, een ‘melting pot’ moest zijn, kwam pas met Pierre Trudeau het multi-culturalisme op en werd het Canadese mozaiek van in elkaar passende stukjes, die samen een geheel vormen, het ideaal.

Werkt dat? Ik weet het niet. Ik vind na 17 jaar hier nog steeds dat Canada veel beter omgaat met immigratie en de integratie van groepen nieuwkomers dan Nederland en andere Europese landen dat doen. Er wordt over nagedacht en het is bespreekbaar. De voordelen en de nadelen van het opnemen van telkens nieuwe groepen worden openlijk afgewogen, terwijl in Nederland, toch ook een vergrijzende maatschappij met grote behoefte aan nieuw bloed, bijna alleen de nadelen gezien worden. Toch kan je je in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen afvragen of de integratie nog wel zo succesvol kan zijn als die bij ons Nederlanders geweest is. Spreekt de tweede generatie Syriërs straks ook gebrekkig Arabisch en beperkt de identiteit zich tot een vluchtig bezoek aan een ethnische grocery store eens in de paar weken? Ik betwijfel het. Maar de toekomst zal het uitwijzen.